Verloren Wijsheid: deel 1

Volle maan. Een paar lichtstralen raken de grond. Ik kijk om me heen. Een beetje te schichtig om kalm te lijken. Ik kijk nog even omhoog naar de maan, voordat ik de grot inga om een paar uur te slapen. Ik haal diep adem en daarna ontspan ik mijn longen. Ik loop richting de grot en naarmate ik de grot nader voel ik steeds een vlaag van warme lucht. Ik word ongerust en kijk alweer te schichtig om me heen. Als ik geritsel hoor, denk ik, wat zou ik dan doen? Ik bedenk een aantal tactieken om mezelf gerust te stellen. Op het moment dat ik mijn derde tactiek aan het bedenken ben worden mijn gedachten onderbroken door een ontzettende pijn in mijn linkerschouder. De pijn wordt erger en erger. Alles in mijn hoofd maakt plaats voor de pijn die nog steeds erger wordt maar nu langzamer. Door alle pijn heen draai ik me om en ik zie alleen een zwarte schim. Ik onderscheidde de houding van normaal en zag dat hij net een pijl had afgeschoten en in mijn richting keek. Hij deed twee stappen naar voren waardoor het maanlicht zijn gezicht raakte. Tot mijn grote verbazing was het een jonge vrouw. Haar gezicht mooi glad en een beetje glimmend in het maanlicht. Verder had ze een mooi en sterk lichaam. Ik bestudeerde haar verder tot dat ze met een zachte strenge stem vroeg: ‘Wie ben jij?’

‘Ik ben Lucas en ik dien niemand!’, antwoordde ik gedwongen.

Terwijl ik dat zei haal ik de pijl uit mijn schouder en verbeet de pijn die nu opeens weer kwam aanzetten. De pijl was koud en de punt hadden geen haakjes zodat ik snel de pijl uit mijn schouder kon trekken. Ze keek hoe ik stoer de pijn aan het verbijten was. 

‘Wat doe je hier eigenlijk?’, vroeg ze.

‘Ik ben gevlucht van het Rijk der Wijsheid.’

‘Ja en?’, zei ze met een toon die me niet erg aansprak.

‘Ik kwam erachter dat er groot complot was om honderd mensen te vermoorden inclusief ik. De reden daarvoor is omdat we teveel weten. Ik ben meteen gevlucht’, antwoordde ik geïrriteerd een beetje binnensmonds terwijl ik de pijl weggooide en wegkeek.

Ze keek geschokt en liet haar nog altijd op mij gerichte boog zakken. Haar gezicht veranderde in een vragend begripvol gezicht en haar blik gleed langzaam naar de grond. Een lange stilte ontstond maar geen pijnlijke stilte. 

Na een vrij lange tijd keek ze weer op. Ze was gaan zittend terwijl ze met haar hoofd op haar handen leunde en naar beneden keek. Ze keek me met een treurig gezicht aan en wees gebiedend met haar hand naar de grot terwijl ze opstond. Ik gehoorzaamde en liep langzaam naar de grot. Weer die warme vlaag terwijl ik dichterbij kwam. Ik zie door het licht van haar fakkel een splitsing in de grot. Ik keek achterom om te kijken of ze wees welke kan ik op moest. Tot mijn grote verbazing was ze weg en hing de fakkel aan de muur. Ik keek nu kalm om me heen, toen hoorde ik snelle voetstappen achter me en draaide me met een ruk om waardoor ik te laat mijn voeten kon draaien. Ik wankelde en viel. Kijkend in de richting waar ik de voetstappen hoorde zag ik nu een lichtbron verschijnen. Ze kwam de hoek om en ze zag me opstaan. Ze keek me vragen aan maar deze keer voelde ik dat ze het goed bedoelde. Daarna gebaarde ze dat ik niet de hoek om moest gaan maar rechtdoor. Ik glimlachte terug en liep naar haar toe. Op het moment dat ik bijna naast haar stond gebood ze me met een glimlach op haar gezicht dat ik moest stoppen. ‘Weet je eigenlijk mijn naam?’, vroeg ze met die strenge zachte stem. 

‘Nee, nog niet’, antwoordde ik. 

‘Delilah’, zei ze. ‘Maar noem me maar Laila’. 

Met een beetje te interessante blik keek ik haar aan. Ze knikt als antwoord op mijn te interessante blik en liep verder.

De grot is iets smaller geworden maar wel een stuk hoger. De grot wordt ook steeds ruwer van binnen, punten steken aan de bovenkant uit. Aan de onderkant zie ik plekken waar de uitstekende punten hebben gezeten. Trouwens, waar is Delilah, dacht ik. Terwijl ik dat dacht draaide ik mijn hoofd en Delilah verscheen in mijn gezichtsveld. Ik keek haar vragend aan en gelukkig begreep ze me en versnelde haar pas waardoor ze naast me kwam lopen. Ik vroeg haar waarom ze telkens achter me liep. ‘Omdat ik niet wil dat we gevolgd worden,’ antwoordde ze, ‘maar ik denk dat we nu niet meer gevolgd worden dus nu kan ik naast je lopen.’ 

‘Waarom was je gaan zitten, toen ik had verteld dat ik was gevlucht?’, vroeg ik aarzelend.

Het gesprek viel stil. Delilah keek naar beneden met dezelfde blik in haar ogen als toen ik vertelde dat ik gevlucht was.