Verloren Wijsheid: Een warm vuurtje en warme druppels

Na een tijdje, inmiddels aangekomen op de plek waar een klein smeulend vuurtje lag te wachten dat waarschijnlijk de oorzaak was van de warme vlagen, was Delilah de hele tijd nog stil geweest. Ze zei geen woord en haar houding gesloten. Af en toe trilde haar lip en wende ze zich af. Toen keek ze me aan, met ogen die ik al veel vaker had gezien. Ogen doorlopen van verdriet, visueel vervormt. Met die ogen doorlopen van verdriet, samen getrokken wenkbrauwen terwijl ze op haar lip beet keek ze me aan. Meteen ging er een schok door me heen. Een schok die ik niet vaak heb, die vertelt dat je iets moet doen; nu. Heel soms, als ik iemand in een diep trieste toestand zie krijg ik soms die schok, net als nu. Verdriet is de oorzaak. Er zijn twee middelen waarmee je verdriet kunt bestrijden. Eén troost en twee liefde. In geen van beide ben ik goed. Allemaal in die seconden, zoveel. En na die seconde, is ze weg. Op weg naar haar plek, waar ze alleen is. Terwijl ik haar hoor snikken leun ik met mijn hoofd op mijn handen. Het gevoel wat ik nu heb is machteloosheid; alsof tientallen mensen onder mijn verantwoordelijkheid zijn omgekomen. 

Het gevoel wat ik nu heb is alsof ik mensen heb zien doodgaan, door mij! Ik kon het verhelpen! Ik kon wat doen en ik… heb niks gedaan. Zo voelt het. Alsof ik alles had kunnen doen maar in werkelijkheid, heb ik niks kunnen doen. Dat is wat ik voel.

Dat stukje uit mijn leven vergeet ik nooit meer. Eerst een pijl in me schouder, dan verdwijnt ze en op het andere moment loopt ze weg met die ogen doorlopen van verdriet. Wat moet ik nu? Wat is er aan de hand? Waarom, waarom nu? Ik sloot mijn ogen en ontspande me.

Zittend viel ik in slaap. Lang, voor mijn gevoel. Heel lang. Na een dag druk bezig geweest te zijn met het vinden van voedsel, een slaapplaats zoeken, het proberen te begrijpen wat ik teveel weet, en nog veel meer nutteloze dingen om je zorgen over te maken.

Toen ik wakker werd lag ik op de grond met een soort kussentje onder mijn hoofd en een deken over me heen. De grond was zacht maar ik wist nog steeds niet waar mijn hoofd op rustte. Ik ging rechtop zitten en zag dat er een hoopje wol onder mijn hoofd lag. Het vuurtje van gister was uitgegaan en rookte nog een klein beetje na. Delilah zal er vast nog hout op hebben gegooid. Op dat moment kwam alles terug. De pijl, Delilah, haar verdriet. Ik kijk snel in het rond maar Delilah was nergens. Ik haalde diep adem en rook de frisse lucht die binnenkwam. Ik haalde nog eens diep adem om de frisse lucht nogmaals te ervaren. Ik dacht nog even terug aan het moment dat de pijl in mijn schouder kwam. De pijn kwam nu deels terug en ik greep meteen naar die plek. Ik voel een klein korstje, dat betekent dat het weinig tot niet gebloed heeft. Wat bezielde me gister dat ik mijn wond niet heb verzorgt? Ja, wat bezielde me, en waarom kwam het niet in me op om het niet te verzorgen? En de pijn, die maar één keer terug kwam. Toen ik heb eruit haalde kwam de pijn terug.

Ik kwam weer tot rust en had tijd om over andere dingen na te denken. Na een tijdje moest ik denken aan Delilah. Waar was ze eigenlijk? Terwijl ik opstond zag ik Delilah een stuk verderop in de grotopening verschijnen met een zak, middelgroot, in haar handen. Ze liep met een glimlach naar me toe en legde de zak voorzichtig op de grond neer. ‘Heb je honger?’, vroeg ze en wachtte op het antwoord.

‘Ehm, ja ik heb honger’.

‘Ik heb namelijk allemaal nootjes, vruchten en paddestoelen gevonden!’, vertelde ze opgewonden terwijl ze de inhoud van de zak eruit haalde.  

‘Lust je dit?’ vroeg ze op een zorgzame toon. 

‘Ja ik herken een aantal vruchten en die nootjes ken ik ook maar met paddestoelen ben ik niet zo bekend qua smaak. Deze ken ik maar nog nooit gegeten evenals deze, deze en.. deze!’, zei ik.

Ze glimlachte.

‘Hopelijk lust je alles, waarschijnlijk een groot gedeelte!’ zei ze en gaf me een paar vruchten, nootjes en paddestoelen. Veel dingen heb ik gegeten, het één lekkerder dan het ander. De paddestoelen waren echt zalig! Ik baal dat ik ze nog nooit eerder heb gegeten! 

Die dag hebben we veel gepraat. Gepraat over haar slaap-schuil-plaats en het woud. Ook vroeg ik haar waarom ze telkens moest huilen. Weer wende ze haar blik af. Weer kwam die vraag naar boven: ‘Waarom?’ Daarna verliep de dag langzaam en moeizaam. De hele tijd, elke seconde van de dag piekerde ik erover. ‘s Avonds eindigde ik weer op dezelfde plek als waar ik wakker werd. Een rustige nacht kwam me tegemoet.